Kinder(straat)spelen van weleer
Vijftig jaar geleden werd het Heuvelkwartier gebouwd.
Er kwamen nieuwe huizen en uit alle hoeken van de stad kwamen er mensen hier wonen.
Geen wonder, want het was hier heel erg leuk. Er waren heel veel kinderen en bijna
iedereen speelde buiten. Waar is bijvoorbeeld de tollentijd? De meisjes hadden meestal
een tol met een zweep. Een meisjestol was gemaakt van een houten cilinder, ongeveer zo
dik als een kurk met onder aan een punt en bovenop een ronde schijf.
Tollen
De zweep was een stokje met touw (het liefst een veter).
Eerst moest je de tol opzetten. Dat ging zo. Je zorgde ervoor dat de tol heel snel
op de punt draaide en dan sloeg je er met de zweep tegen. De tol ging dan een heel
stuk vooruit. Als de tol dan nog draaide sloeg je hem weer verder.
Sommige kinderen konden zo van huis naar school tollen, of van voor aan de straat tot
helemaal achteraan.
 |
Vooral meisjes waren daar handig in, de jongens speelden liever met
een haktol. Dat was natuurlijk stoerder, daar kon je een gevecht mee houden.
Een jongenstol zag er ook anders uit. Een jongenstol had een peervorm.
Het smalle gedeelte was de onderkant en de punt waar de tol op draaide was een rond
of puntvormig stukje metaal wat in het hout geschroefd was. Eerst zette je de tol met
de ronde punt op. Dat deed je zo. Vanaf de punt draaide je een touw tot aan het
breedste gedeelte. Dan gooide je de tol met een ruk van het touwtje naar de grond en
de tol draaide. Met een ronde punt draaide de tol langer. |
Hakken
Met een tol met een spitse punt deed je hetzelfde, maar daar probeerde je dan een
andere tol mee te raken. Als dat lukte "hakte*' je zo een spleet in de andere tol.
In een tollengevecht probeerden de jongens zo de tol van een ander te splijten.
Soms zijn er nog tollen te koop in een goede (of oude) speelgoedwinkel. Ze zijn
niet zo duur en misschien mag je het van je vader of moeder ook leren. Iets waar
je ook handig voor moest zijn was kaatsballen. In de ballentijd waren er kaatsballen
te koop in allerlei kleurtjes, met of zonder figuurtjes, glimmend of dof. Meestal
zaten er drie in een netje.
Kaatsen was ook vooral voor meisjes. Net als met jongleren gooide je twee of drie
ballen om de beurt omhoog of tegen een muur en je moest ze natuurlijk ook weer opvangen.
Je kon de ballen op verschillende manieren opgooien of je deed er trucjes tussendoor,
zoals handen klappen, op je knieën gaan zitten en weer staan, je omdraaien een bal
omhoog gooien en twee vlug achter elkaar laag. Jongens gingen vooral voetballen, daar
was trouwens geen speciale ballentijd voor. Er waren ook balspelen die je samen deed,
zoals eitje leggen of lummelen. Lummelen doe je met minstens drie kinderen.
Je gooit de bal steeds over en het kind dat in het midden staat moet proberen de bal
te pakken te krijgen. Als dat lukt, moet degene die het laatst gegooid heeft, in het
midden gaan staan.
|