Ongelukken op de hoek Heuvelbrink - Willem Barendszstraat
Vijftig jaren
In de jaren vijftig was het er nog rustig: er waren nog maar weinig auto's.
De bus stopte nog gewoon op de hoek. En samen met een paar vriendjes bedelde ik
dan om de resten van buskaartenboekjes, die we in allerlei spelletjes konden
gebruiken.
Geleidelijk aan werd het drukker en kwamen ook de eerste ongelukken. Op die manier
kwamen wij aan onze nieuwe bakker: Ouwerling op het Nolensplein. De bezorger van
Ouwerling kreeg op de hoek een (gelukkig niet al te ernstig) ongeluk. En omdat
mijn ouders hem geholpen hadden bezorgde hij de volgende dag een taart bij ons.
Toevallig waren mijn ouders op zoek naar een nieuwe bakker. Dus onze keuze was
snel gemaakt. Sommige ongelukken veroorzaakten ernstige verwondingen.
Ik herinner me nog een been, dat zo open gesneden was dat je de slagader zag
liggen (gelukkig was hij nog heel). Als je nog kind bent, maakt zoiets een
behoorlijke indruk!
Het ergst ben ik geschrokken, toen ik toevallig voor het raam zat te spelen. Ik
hoorde een enorme klap en toen ik opkeek zag ik een auto op zijn kop voorbijglijden.
Twee oudere mensen vlogen door de achterruit naar buiten waarbij ter hoogte van
hun buik een wolk glasscherven en een blauwige glibberige massa zichtbaar was.
Ik dacht dat dat hun darmen waren! Ik durfde eerst niet te gaan kijken. Van mijn
ouders, die wel waren gaan helpen, hoorde ik even later dat de blauwige glibberige
massa de eieren en pruimen waren, die ze op de markt gekocht hadden. En dat hun
verwondingen wel meevielen.
Niet alle ongevallen liepen goed af.
Helaas liepen héél wat ongelukken niet zo goed af. Een van de grootste tragedies
kwam voort uit een botsing tussen twee auto's, waarbij een passerende jonge vrouw
op een fiets tussen een door de botsing weggeslingerde auto en een boom beklemd
raakte. Ze was vrijwel op slag dood.
Door rondvliegende auto's waren ook de trottoirs rond de hoek levensgevaarlijk.
Zo kwam eens een auto tegen de deurpost van de voordeur van de buren tot stilstand.
En ik herinner me nog altijd een meisje van een jaar of twaalf. Ze had op het
trottoir op een vriendinnetje staan wachten om naar school te gaan, net toen weer
eens twee (te) hard rijdende auto's op elkaar botsten. Ze werd door een van de
door de botsing weggeslingerde auto's op een haar na gemist.
Ze was helemaal verstijfd en herhaalde voortdurend: "Ik was bijna dood, ik was
bijna dood". U zult begrijpen dat het kinderen in die tijd verboden werd in de
buurt van die hoek te spelen. Op een gegeven moment was er ongeveer eens per maand
een ongeluk.
Op het laatst werd het bijna routine: als je een bonk hoorde, keek je of het iemand
was die zijn portier hard dichtsloeg of dat het een ongeluk was. Als het een
ongeluk was, ging je vervolgens na of er gewonden te zien of te horen(!) waren.
Dan belde je direct het alarmnummer. Als dat niet zo was ging je eerst kijken wat
men nodig had. Als er gewonden waren, probeerde je zo goed mogelijk te helpen.
Maar vaak kon je niet veel doen. Het wachten op de ambulance duurde dan erg lang.
De grote verandering kwam toen in het kader van de stadsvernieuwing er drempels
op de Heuvelbrink gelegd werden. Ineens waren alle ongelukken voorbij! Het duurde
nog wel even voordat we daaraan gewend waren:
als je een bonk hoorde keek je gewoon uit reflex de eerste tijd toch uit het raam.
Maar elke keer was het alleen maar een autoportier. Een verademing!
Rob Blokland
|