Burgerhof in de jaren vijftig
Kees Santbergen
Burgerhof
In 1953 verhuisden we naar Burgerhof. Ik was bijna drie jaar eerder geboren
in Maria Ziekenhuis in Ginneken en moest daar blijven vanwege een forse eczeem.
Om te voorkomen dat ik mezelf vanwege de jeuk helemaal open krabde kreeg ik een
soort vimbussen, zoals mijn vader die noemde, over mijn armen heen geschoven. Ik
mocht in de grote verhuisauto naast de chauffeur zitten. Het was rond Pasen en
het had hard geregend. De huizen stonden er maar de bestrating ontbrak nog. Bij
de Heinsiusstraat bleef de verhuisauto in de modder steken. We droegen de huisraad
door het modderige strandgele zand naar nummer 11. Erg veel meubels waren het nog
niet. We kwamen van de Bavelselaan in de wijk Ginneken waar mijn ouders en later
mijn zusje en ik erbij, zeven jaar bij mensen in hadden gewoond, op een bovenetage.
Dat was gevorderd kort na de oorlog toen iedereen onderdak moest krijgen, want de
woningnood was groot. Het nieuwe huis was ons toegewezen. We waren de eerste of
tweede bewoners, dat weet ik niet meer. In korte tijd waren alle achttien woningen
betrokken. De huizen waren de voorlopers van de echte doorzonwoning. Want als je
aan de straat stond kon je er dwars doorheen kijken, zo in de achtertuin. Ze stonden
in drie blokken van zes in een u-vorm met de onderkant van de u naar de Mastbosstraat.
In die onderkant woonden wij. In ons rijtje van zes woonden ook twee Poolse gezinnen, Drozedrowski en Urbanski. De mannen waren in Nederland achtergebleven nadat zij als soldaat als geallieerden bij de bevrijding een rol hadden gespeeld. Ze waren getrouwd met een Nederlandse. Tussen de poten van de u lag een grasveldje dat toen in mijn beleving wel een voetbalveld groot was. Pal achter ons huis was een café dat er al heel lang stond. En tussen het café en de achterlijn van onze achtertuin, een voortuin was er niet, was er een moestuin, omzoomd door een twee meter hoge beukenhaag. Voor mij was dat toen een akkerland, zo groot. Tegen de achterkant van het café stond een enorme walnotenboom waarvan de takken bijna tot aan onze tuin reikten. Er stonden daar sowieso veel bomen.
Op nummer 1 woonde de familie Simjouw van de voetbalmuur, maar daarvoor woonde er
een ander gezin waarvan ik de naam niet meer weet. Dan kwam de familie Nuyten,
de familie Stolk met twee zonen van wie een trompet speelde en met wie ik niet veel
contact had. Van Haren van Wim waar ik nog over vertellen zal, woonde op de hoek
van het eerste blok. In het volgende blok woonden de twee gezinnen met een Poolse
vader met daartussen de familie Schouten met Jan met wie ik later op judo ben
gegaan en op de drumband. Naast ons woonde de familie Hoppenbrouwers ook op een
hoek, met Ad, Sjef, Veers en Wil. Daarna kwamen in het derde blok voorzover ik me
herinner De Graauw, Van Eynatten en Michelbrink, de oudsten op Burgerhof die van
Duitse komaf waren. Er was ooit ook nog een familie Morre.
Fietsen
Vroeger werd er al veel gefietst. De eerste fiets die bij me opkomt is het
piepkleine fietsje dat in alles leek op een fiets voor volwassenen. Het enige
verschil was de maat. De wielen waren die van een step. Mijn vader knutselde hem
in elkaar, al weet ik niet meer zo zeker of hij die fiets niet had gekocht om
hem vervolgens helemaal op te knappen. Ja ik denk dat het zo was, want hij kon niet
lassen. Nog verser in mijn geheugen staat mijn Vliegende Hollander. Een vierwieler
die in beweging kwam als je met de handen een stang, die tussen je benen omhoog
stak, afwisselend met duwen en trekken naar voren en naar achter bewoog. Sturen
deed je met je voeten door ze op de vooras te zetten, naast de wielen. Als je
uitreed, nadat je een voor jouw gevoel duizelingwekkende snelheid had bereikt,
leidde die stang een geheel eigen leven. De Vliegende Hollander had geen rem. Je
kon alleen stoppen door te proberen de stang tegen te houden. De stang leefde dus
zijn eigen leven en je was aan de traagheid van je eigen voortrijdende massa
overgeleverd. Een andere stang die ik me herinner is die van de fiets van mijn
vader. Toen ik voor een eigen fiets nog te klein was, maar te groot om in een
kinderstoel achterop de bagagedrager te moeten, zat ik bij hem voorop. Ik vond dat
geweldig. Ik kon alles goed zien. Een nadeel was dat ik ongelooflijk pijn aan mijn
kont kreeg. En zo reden we bijvoorbeeld naar de stad waar op Koninginnedag een
militaire parade te zien was.
Fietsend gingen we ook vaak naar het zwembad, Bosbad Hoeve. Ik had inmiddels een
eigen fiets. Ik weet niet meer dat ik hem kreeg en hoe die er uit zag. Een zwarte
geloof ik. Maar een ding wist ik nog wel. Het was een zoveeldehandse, die door
mijn vader was opgekalefaterd. De afstand naar het zwembad was lang. We reden deels
over een hardgereden smal zandpaadje met paaltjes aan de rechterkant. Paaltje voor
paaltje gleed voorbij, zwoegend naar het zwembad waar ik het altijd weer heel erg
leuk vond, al was het vaak ook ontzettend koud. Ook omdat er een echt vliegtuig
stond waar je op de vleugels mocht klimmen en in de cockpit mocht. Als je maar
een doel hebt. Ik heb er leren doorzetten.
Zwemmen deden we trouwens meestal in de Princen Plassen, het zwembad aan de rand
van het Mastbos waar we met de fiets via een slingerweg langs het bos naar toe
reden. Het was er altijd heel druk en gezellig. Bosbad Hoeve deden we in de vakanties
als een echt uitje. Princen Plassen was voor in de week als de school uit was.
Het Ei aan de Julianalaan was minder favoriet. Het was nogal ver weg en zo'n beetje
midden in de stad. En er was trouwens veel minder gras. In de Princen Plassen was
er gras tot aan de rand van het zwembad dat toen nog geen stenen maar een zandbodem
had. Een ander zwembad waar ik maar een paar keer geweest ben omdat het erg ver
weg was, was Suree als ik me goed herinner, dat in de bossen lag. We gingen er
in de bus met de kindervereniging naar toe. Witte kadetjes mee en de onvergetelijke
flessen Exota met vuurrode, kanariegele of bruine naar karamel smakende priklimonade
in flessen met een porseleinen dop die met een ijzeren beugel aan de fles zat en
die je daarmee kon afsluiten en weer opendoen.
Mastbosstraat
Aan de overkant van die prachtige Mastbosstraat met aan weerszijden gigantische beuken en eiken, had Cor Verdonck haar kruidenierswinkeltje. Op schooldagen gingen mijn zusje of ik in onze lagere schooltijd er broodbeleg halen. Meestal kokosbrood of boterhamworst, want dat was goedkoop en lekker. Cor schreef de boodschappen altijd op. Ze werden een keer in de week afgerekend, als het loon weer binnen was. Mijn ouders werkten alle twee, ze waren dan niet thuis. We kregen de huissleutel mee naar school. Cor was gehandicapt. Haar hoofd stond scheef en zat helemaal vast. Als ze je aankeek moest ze haar hele lichaam naar je toe draaien. Cor die een donkere werkschort droeg was altijd vriendelijk. Ik heb haar nooit aan de onderkant gezien. Ik wist niet hoe ze er daar uit zag. Tot die ene keer dat ik iets vroeg wat ze niet had. Dan ging ze naar de woonkamer via de schuifdeuren want daar achter was ergens een grote voorraadruimte. Die schuifdeuren waren dus de grens tussen winkel en woonruimte. Maar dan zag ik dat Cor een hele lange rok droeg met van die rare donkerbruine kousen en ze had ook zwarte schoenen met hele dikke hakken. Zo zag Cor er dus van onderen uit. Ze was alleen. Maar ze had ook een groot huis. Als je binnenkwam moest je de eerste deur naar links het winkeltje in. Liep je rechtdoor door de glazen duwdeur dan kwam je in dat grote huis. Ik ben er nooit in geweest. Als je iets nodig had wat van de bovenste plank moest komen dan gebruikte Cor een lange stok. Onderaan zat een handvat dat als je dat inkneep ging er aan het boveneind van de stok een grijper die uit twee halfronde klemmen bestond, open. Die greep dan het blikje peulvruchten dat we 's avonds aten. Cor was daar heel behendig in. Maar soms viel er wel eens een blikje naar beneden en dook Cor snel weg om het omlaag vallende projectiel te ontwijken. Over hoe alles was opgestapeld en in de schappen gezet had Cor goed nagedacht. Want alles wat in de grijper paste en niet van glas was stond bovenaan. Het grut in grotere verpakking stond meer naar onderen. In de vitrine lag het broodbeleg waaronder de boterhamworst die Cor uit het grote blik met blauw etiket schudde en dan aan plakjes sneed. Soms kwijlde ze wel eens maar dan viel het sliertje toch altijd wel naast het blik. Op de toonbank stonden glazen potten met snoep. Cor deed niet aan gezonde gebitten. Als we vijf cent hadden gingen we drop kopen of schuimpjes, zoethout of salmiak. Er was een paar panden verder naar links in die Mastbosstraat met zijn enorme beukenbomen nog een kruidenier, gerund door een echtpaar, een kale man en een hele dikke vrouw. Rika heette de vrouw met bril. Als je een pen of zoiets nodig had, ging je naar Rika Vriens. Bij Rika kon je de boodschappen niet laten opschrijven. Daarom gingen we het liefst naar Cor.
In diezelfde Mastbosstraat had naast de winkel van Rika Vriens Janus van Nispen
zijn fiets- en brommerwinkel. Daar werd de nieuwe fiets gekocht die ik kreeg toen
ik naar de mulo ging. En mijn vader kocht er zijn zwarte Berini met zo'n buikje
van een benzinetank waar hij heel gelukkig mee was. Janus was altijd heel vriendelijk
en behulpzaam. Tegenover Janus woonde de familie Bachman. Links van de winkel waar
ze kachels verkochten, was een grote poort en als je die inliep dan kwam je in een
smidse waar paarden van nieuwe hoefijzers werden voorzien.
Later gingen we boodschappen doen op het mgr. Nolensplein omdat daar een echte
slager kwam, van Brunsen of zoiets en een supermarkt, de VeGe waarvan ik me vooral
de gestampte muisjes nog herinner.
Winkel aan huis
Hoewel het winkeltje van Cor van de vloer tot aan het plafond helemaal volgepakt
was met allerlei grutterswaren, had ze natuurlijk niet alles. De verse melk werd
gebracht door de melkboer. Hij schepte hem uit de melkbus met een maatbeker waarna
mijn moeder hem meteen kookte om te voorkomen dat hij zuur werd. Ook eieren had
de melkboer. En dan de bakker. Bakker 't Sas kwam met zijn bakfiets elke dag brood
brengen, ook op zaterdag. Hij fietste een bruine glimmend geverniste kar met een
deksel die omhoog geduwd kon worden en met een ijzertje tegengehouden. 't Sas stond
er met grote schuine letters op. De bakker dook altijd in de bak op zoek naar het
brood dat je hebben wilde. Ik vond dat altijd wel dapper, want het ijzertje was
heel erg dun. Dat deed hij meestal al voordat je bestelde want hij wist precies
wat je hebben wilde. Het brood was ongesneden en rook ongelooflijk lekker. Vooral
ook de eierkoeken waar mijn moeder ons af en toe op trakteerde. Gesneden brood
kwam pas later. Soms was de kar er maar ontbrak de bakker. Als je niet wilde wachten
tot hij aanbelde moest je naar het café achter ons huis, dan haalde mijn moeder
hem even achter zijn borreltje vandaan. Hij deed altijd alsof hij niet teveel had
gedronken.
Er waren ook een vodden- en een schillenboer. Franske was de voddenboer. Een oud
klein schriel mannetje, blind aan een oog, die krom langs de huizen liep, versleten
schoenen en kleren. Hij droeg een zak op zijn rug die haast groter was dan hemzelf.
'Piele, piele, ouwe piele', riep hij zo hard hij kon. Want papier verzamelde hij
ook, net als konijnevellen met Kerst en hij had een ernstig spraakgebrek. De
schillen werden opgehaald met paard en wagen en gesorteerd, de aardappelschillen
gingen in een ander vat dan de appelschillen.
Op avontuur
Wim was de informele leider van de groep. Wim van Haren heette hij. Hij besliste over de samenstelling van de twee voetbalteams die op het veldje naast het huis van Simjouw elke zomeravond hun wedstrijdje speelden. Ik deed altijd mee. Ik vond het leuk, zeker als ik keeper mocht zijn. Dat kon ik toch eigenlijk beter dan voetballen. Het veldje was omzoomd met een beukenhaag van ongeveer een meter hoog. Bij Simjouw vonden ze dat voetbal niet altijd even fijn. Zeker niet als we met weinig waren en de bal tegen de blinde muur van hun huis schopten. Naast het voetbal waren de wandelingen naar het bos heel erg favoriet. Met meestal een grote groep jongens, dezelfde als van het voetbal, trokken we naar het Mastbos, Klein Zwitserland of De Kogelvanger. Die Kogelvanger dankte zijn naam er aan dat hij aan de kop lag van een militair oefenterrein. Het was een soort aangelegde heuvel die de kogels moest tegenhouden. Daar tegenaan lag een ven waar veel kikkers zaten die net als het geschiet een hoop kabaal maakten. Er hing altijd een beetje een aparte sfeer, een beetje spannend. Wim wist de weg naar al deze plekken. We drongen tot diep in het struikgewas door. Daar was het heel stil. Eenden broeiden op de nesten langs vennen. We balanceerden over omgevallen bomen en maakten hutten. We klommen in bomen om eieren uit te halen en leeg te blazen en we kerfden liefdesharten in de stammen van reuzeneiken. Een keer was het heel spannend. Het was al laat en we moesten altijd voor het eten thuis zijn. We waren te ver gelopen en om de weg af te snijden liepen we diagonaal over een net omgeploegd en ingezaaid akkerland. Aangekomen aan de overkant, aan de rand van het bos stond plots de boer tegenover ons. Hij was witheet en ik begreep niet waarom. Maar snel werd duidelijk dat hij woedend was omdat we over zijn akker waren gelopen en ook nog worteltjes uit de grond hadden gehaald. 'Als jullie godverdomme niet heel snel maakt dat je weg komt, schop ik je tegen die boom kapot,' riep hij ziedend naar Wim die zijn leven niet veilig wist en zich als een haas uit de voeten maakte, met ons er achteraan. Ik heb nog nooit zo hard gelopen als toen. Bleek en ontdaan bereikten we onze veilige buurt. Maar we lieten ons niet kisten. Een volgende keer gingen we er weer heen, maar keken wel wat beter uit.
Ook bieten van karren trekken was spannend. De karren kwamen, getrokken door paarden
en later tractoren, in september achter ons huis langs over de Mastbosstraat, van
de boer naar de suikerfabriek. De bieten smaakten heerlijk en we maakten er
doodskoppen van om, nadat het donker was geworden, mensen mee aan het schrikken
te maken door hem voor de opzij geschoven gordijnen aan een stok omhoog te steken.
En daarna hard weg te hollen.
Wat rustiger ging het er aan toe als we voorovergebogen in een ondiep beekje stonden
om kwakkebollekes, kikkervisjes, en andere kleine visjes zoals stekelbaarsjes te
vangen. Tot aan de kuiten in het ondiepe water van het beekje, je handen tot een
kommetje gevouwen, was het de kunst het diertje in je handen te laten zwemmen en
ze snel te sluiten en de visjes in een jampotje te stoppen. We waren er uren mee
bezig. Vlakbij huis, ongestoord. De bielop (bijloop) noemden we het beekje. Het
was ook de tijd van de kevers die zich in de avond gemakkelijk lieten vangen en
in een jampot met gatendeksel lieten stoppen. En dan waren er de kijkdozen,
schoendozen met een gekleurd doorzichtig papier eroverheen en met maar een gat,
waardoorheen je een panorama aan verrassingen zag, tegen betaling van een enkele
hele mooie of meerdere gewone knikkers.
Thuis
De jaren vijftig waren ook de jaren van de huiskachel die nog met kolen werd
gestookt. In het schuurtje achter het huis was een muur waarachter de kolenvoorraad
voor de hele winter werd gestort. Midden onderaan zat een vierkant gat waar doorheen
de kolen geschept konden worden en in de kolenbak gegooid die naast de kachel werd
gezet. De kachel moest elke ochtend opnieuw worden aangestoken nadat de asbak leeg
gemaakt was. Dat gebeurde in het gangetje achter het huis. Omdat iedereen dat deed
werd het zandpaadje daar vanzelf verhard met sintels. De kachel gaf een heerlijke
en oergezellige warmte. Op wasdag stond er een houten opvouwbare hekje voor waar
de kleren overheen werden gehangen om te drogen. Met de kachel aan en de tikkende
pennen van mijn breiende moeder was het oergezellig. Zeker als Paulus de Boskabouter
weer op de radio was. We zaten er met onze oren tegen aan om naar niets te missen.
We hadden een klein geisertje dat warm water gaf. Daar was ook de douche op aangesloten.
In 1950 had nog maar een op de zes woningen een douche of badkuip. Dus we hadden
het erg lux. Maar 's winters was het te koud om daar onder te gaan staan want de
kachel verwarmde wel de woonkamer en ook nog wel de keuken, maar boven bleef het
behoorlijk koud, zeker als het buiten vroor. Totdat we een petroleumkacheltje
aanschaften. Tot die tijd wasten we ons in de keuken. In de sambalteil. In een
ontzettend klein keukentje. Omdat het water uit de geiser niet al te warm was
kookte mijn moeder het waswater in de teil op het fornuis. Het duurde wel een uur
voordat het warm was, maar dan had je ook wat. Mijn zusje en ik wasten ons om de
beurt. Niet altijd in dezelfde volgorde want de tweede waste zich in het water
van de eerste. Mijn zusje voelde zich er niet altijd erg bij op haar gemak. Er
woonde op Burgerhof ook een zekere D. D. stond bekend als een man zonder woorden,
maar wel veel daden vooral als hij dronken en kwaad was. Dan kon je maar beter bij
hem uit de buurt blijven. Niet zelden kwam hij dronken thuis. Een keer zelfs kwam
hij met zijn auto dwars over het grasveld en door de rozenperken aan rijden om met
veel kabaal pal voor zijn huis tot stilstand te komen. Ik was er wakker van
geworden en meteen uit bed gesprongen. Overal sprong in het huis van G. waar D.
woonde het licht aan. De volgende dag bleken achter hun huis de ruiten te zijn
gesneuveld. Van D. ging ook het verhaal dat hij als het donker was 's avonds door
het bovenste keukenraampje naar binnen gluurde. Daar hing geen gordijntje. In de
buurt ontstond een sfeer van angst voor wat er 's nachts allemaal wel niet gebeuren
kon. En in verloop van tijd kwamen er steeds meer muren om de tuin heen met zoals
bij mij thuis glasscherven er boven op. Dat was al wel weer een paar jaar later,
in de jaren zestig.
Macaroni met ham en kaas en friet waren mijn favoriete maaltijden. Al duurde het
wel een aantal jaren voordat het zover was dat we dit konden eten. Want aanvankelijk
was het toch altijd aardappelen, met te lang doorgekookte groenten, niet elke dag
vlees en 's ochtends vaak zogenaamde poetjespap die gemaakt werd van gekookte melk
en oud brood. Nadat we de verplichte levertraan hadden geslikt.
In de tweede helft van de jaren vijftig werd er gehamsterd omdat het gerucht ging
dat het voedsel schaars ging worden. Er was iets met Hongarije of zo. Er werd
blikgroente ingeslagen. Niet zo heel veel want daar hadden ze het geld niet voor.
Maar het kleine keldertje werd toch zoveel mogelijk volgestopt. Misschien was dat
ook wel omdat toen de winter heel erg streng was. De koude oorlog werd buitengehouden
door de gordijnen heel erg goed dicht te doen.
Alles in de huizen in Burgerhof was klein, ook al vonden mijn ouders dat ze in een
paleis terecht waren gekomen. Natuurlijk want ze waren sinds hun huwelijk voor het
eerst echt zelfstandig, zonder bemoeienis van een soort hospita hoe vriendelijk
die vrouw en haar man ook waren. De kelders in Burgerhof waren drie treden diep.
Maar dat was al heel wat. Mijn vader maakte planken aan de muur en daar konden
al die blikken worden opgestapeld. Cor had het er maar druk mee om de hele buurt
van blikken te voorzien.
Bijverdienen binnen
Mijn ouders waren aan het eind van de oorlog getrouwd. Gewerkt hadden ze tot
die tijd vooral voor hun ouders. Ze hadden geen eigen geld. Gingen na de oorlog
inwonen. Zonder eigen inboedel. Die moesten ze nog bij elkaar verdienen. Eerst
kregen ze nog twee kinderen, mijn zusje en mij. Eind jaren veertig. Mijn moeder
werkte als hulp in de huishouding. Eerst mij naar school brengen, dan naar haar
werkgezin. Mijn vader werkte aanvankelijk als kolenboer. Kort maar, want al spoedig
kon hij als kok aan de slag in het leger op de vliegbasis Gilze Rijen. In de ochtend
om vier uur er uit. In de middag om drie uur thuis. En dan aan de slag. Tot diep
in de avond. In dat piepkleine keukentje. Het was een tijd van schaarste. Er moest
worden bijverdiend, om rond te kunnen komen en het huis wat verder aan te kleden.
Ik zat op de lagere school. En vond het allemaal prachtig, dat thuiswerk.
Het leukste vond ik de kauwgum. De kauwgum werd in handgrote kubusvormige doosjes
afgeleverd. Het huis was bezwangerd van zwoele zoete kauwgumlucht. In een doosje
zaten wel honderden plakjes kauwgum in allerlei kleuren. En gewenteld in poeder
om te voorkomen dat ze aan elkaar plakten. Talloze dozen stonden opgestapeld in
de gang en in de keuken. Je kon er niet meer lopen alleen schuifelen. In de keuken
werd kauwgumpje voor kauwgumpje ingepakt in een papiertje en weer terug in het
doosjes gestopt. Tot diep in de nacht gingen ze daarmee door. De ene avond na de
andere. Want dat fel begeerde bankstel moest er komen.
Wat je niet rook was het lezen van de erwten. Op de fiets van mijn moeder die geen
stang had legde mijn vader twee grote zakken met erwten, vijfentwintig kilo elk,
die hij ophaalde bij de handelaar. Te voet liep hij ermee naar huis. Later huurde
hij een bakfiets voor een gulden per uur. En gooide daar dan zo'n zes zakken op.
Thuis werden alle erwten die niet goed waren er uit gehaald. Je kon het zien aan
het vlekje op de erwt. Alle erwten werden in porties over de keukentafel uitgestrooid
en dan zoeken maar. De ene na de andere dag werd de ene zak naar de andere zak
omgekeerd en weer gevuld met alleen maar goede erwten. Mijn ouders werden er kierewiet
van. De goede erwten gingen naar de fabriek om ze te koken en in te maken. Als
mijn vader ze op de bakfiets weer terug bracht en afleverde bij de handelaar, moest
hij altijd ook de verkeerde erwten meenemen om te laten zien dat ze eruit gehaald
waren. De handelaar controleerde af en toe ook de zak met goede erwten. Een keer
toen de handelaar zei dat er nog rotte tussen zaten, hij was er echt naar op zoek
gegaan, moest de hele zak opnieuw. Mijn vader werd ontzettend kwaad. Omdat het
ook niet zo goed betaalde is hij er toen meteen mee opgehouden. De nachten voor
mijn ouders waren erg kort. Het pellen van uien was een stankkarwei. Dat duurde
niet lang. Het was niet te harden. Toen kwamen de appels. Die haalde mijn vader
ook op met de bakfiets, meteen ook voor de familie Poppelaars want zij verdienden
ook bij met appels schillen. De familie Poppelaars en Santbergen hielpen elkaar
met schillen. Het moeten er wel duizenden geweest zijn, waar mijn ouders de schil
van af haalden om ze daarna in zout water te leggen in grote zinken teilen om te
voorkomen dat ze verkleurden. Wat er daarna mee gebeurde wist ik niet. Waarschijnlijk
werd er appelmoes van gemaakt. Maar hoe het stonk proefde ik jaren later nog op
mijn tong.
Een minder stinkende bezigheid was het bekleden van lampenkapjes. Als ze klaar
waren, stonden ze tot aan het plafond in de gang opgestapeld. Lange rollen lint
van allerlei zoete zachte kleuren werden in dozen aangevoerd. Die linten werden
om het ijzeren draden frame gewikkeld. En zo ontstonden de lampenkapjes. Mijn
tante Cor die een gezin had van zes kinderen, deed dat ook. In haar huis kon je
de muur haast niet meer zien van de ontelbare in elkaar getaste stapels. De woonkamer
was geheel en al omgetoverd in een fabrieksruimte.
Het maken van sambal is een verhaal apart. De kop en de staart werden van de
vuurrode lombokbonen afgesneden en daarna propte mijn moeder ze in een soort
gehaktmolentje dat met een vleugelmoer aan de keukentafel was bevestigd en met de
hand door mijn vader werd rondgedraaid. De ene boon na de andere. Uren aaneen. Er
kwam dan een rode smurrie uit met zaadjes die in de zinken teil kledderde. Er
werden kilo's zout aan toegevoegd, alles werd door elkaar geroerd en het mengsel
ging in potten. Ook daarvan werd het huis volgestouwd. De volle kistjes lombokbonen
maakten plaats voor dozen met tot aan de rand met rode smurrie gevulde potten met
bijtend zilte sambal. Gaf mij maar de kauwgum. Het hele huis was vergeven van een
peperachtige zoute lucht, niet om te harden. Aanvankelijk gebeurde dit allemaal
in de keuken, later in de aangebouwde serre. Mijn vader werd het te gortig en verzon
een list. Hij tikte ergens een klein elektromotortje op de kop, monteerde die op
de tafel onder het gehaktmolentje, verbond beide apparaten met elkaar met een
aandrijfriem en het draaien met de hand was gemotoriseerd. De productie ging
aanzienlijk omhoog. In die tijd werd hij ook verplaatst naar de schuur om de stank
buiten de deur te houden. Hij hoefde niet meer te draaien. En je hoefde er nu
alleen maar de bonen in te laten zaken. Ze werden volautomatisch naar binnen getrokken
waarna ze met een gorgelend geluid werden verslonden om als smurrie onder in de
teil te belanden. Dag in dag uit. Week in week uit. Honderden kilo's sambal werden
geproduceerd. Door de automatisering was de productie hoog, terwijl het loon op
handmatig draaien was afgestemd. En zo werd er extra verdiend. Dat vond ik wel
slim.
Mijn ouders konden enorm afzien. Mijn moeder werkte 's ochtends thuis, ging 's middags
naar een werkhuis en werkte 's avonds weer thuis, kauwgum, uien, erwten, appels,
noem maar op. Als ik niet kon slapen en weer eens naar beneden kwam werd er hard
gewerkt, in een tamelijk schaars door een aan het plafond bungelend peertje verlicht
piepklein keukentje. Tot twaalf uur 's nachts.
Bijverdienen buiten
In de zomer verplaatste het werkterrein zich naar buiten. Dan verdienden mijn
ouders bij met het plukken van aardbeien, frambozen en bessen. Eerst bij Sjef Rennen
in Effen en later bij boer Van Egmond in Prinsenbeek. 's Zomers werd er geplukt,
's winters thuis gewerkt. Plukken voor een bepaald bedrag per sipke, dat was een
rechthoekig gevlochten mandje. Later werd er betaald per uur, een gulden. Ik moest
altijd mee. Ik vond het heerlijk bij het aardbeienveld. Samen met de kinderen van
de buren die ook plukten, de hele buurt plukte er bijna, speelden we verstoppertje
achter struiken en dikken beuken. Ondertussen aten we stiekem van die heerlijk
grote stevige aardbeien. Maar de framboos was mijn favoriete vrucht. Iedereen lunchte
tegelijk. In de berm van het veld. Vaak boterham met gebakken eieren met zelf
meegebrachte thee. Het aarbeienveld, de frambozen en de bessen waren voorbij Effen
waar onderweg de kerktoren in de verte mijn ankerpunt was. Het was erg ver weg,
maar het kussentje en de ijzeren opklapbare rugleuning hielpen me de rit uitzitten.
Ik was altijd blij als we waren aangekomen. Mijn moeder tilde me van de fiets en
meestal zette ik het op een lopen naar de grote rode rijp geworden lekkernijen die
op mijn moeders handen hingen te wachten. Ze groeiden op een akker die was omzoomd
door bomen, de rand van een bos. Eenmaal werd me mijn enthousiasme noodlottig. Ik
rende met grote vaart met mijn oog regelrecht in het prikkeldraad dat op kind- en
paardonvriendelijke wijze precies op die hoogte gespannen stond. En meestal ook
onder stroom was gezet. Mijn moeder schrok zich een hoedje, ik bloedde als een
varken. Het was niet te zien waar ik geraakt was in de buurt van mijn oog. Door
een hechting is uiteindelijk alles goed gekomen. Mijn moeder heeft haar verdiensten
die middag moeten missen. En ik kon gewoon blijven zien.
Mijn moeder werkte ook nog bij huishoudens thuis, en in restaurants om af te wassen.
Bijverdienen deden we trouwens ook als kinderen door het wassen van auto's die bij
hotel Mirabelle geparkeerd stonden.
Spelen
In de buurt waren er nog geen auto's, ook geen geparkeerde. De straat was
letterlijk van ons. Daardoor kon je er ongehinderd spelen. Alle straten in de
buurt waren speelruimte. We hinkelden, tolden, sprongen touwtje. 's Zomers als
totdat de lantaarnpalen aan gingen alle kinderen buiten speelden en soms ook nog
daarna, was het er ontzettend gezellig op Burgerhof. We hoefden niet vroeg naar
bed omdat het langer licht bleef. En we mochten ook langer op straat zijn, we waren
immers in het zicht van onze ouders. We deden wedstrijden wie het eerst met een
tol het pleintje rond was.
Een haktol was een tol in de vorm van een omgekeerde kegel met een ijzeren punt
naar beneden waar je een touwtje omheen draaide. Door hem naar beneden te gooien
en zo het touw snel van de tol te wikkelen ging de tol draaien. De kunst was om
jouw tol boven op een andere te hakken. Tollen waren er in alle maten. Vaak voorzien
van punaises en gekleurde potloodstrepen, waarvan het effect was dat de tol mooi
glimde als hij draaide en alle kleuren van de regenboog had. Maar meer nog dan bij
de haktol was bij een gewone tol de straat van ons. Met een houtje en daaraan een
touwtje sloegen we de tol het pleintje rond. Dat ging gepaard met een zwiepend
kletsgeluid. Het ging erom wie zijn tol het eerst het pleintje rond had zonder
dat hij tot stilstand kwam. De grote meiden konden dat het allerbeste.
Ook knikkerden we veel. Zo gauw het lente werd begonnen we ermee. Een knikker met
je wijsvinger in een sleufje duwen. Wie achter elkaar de meeste knikkers er in kon
krijgen mocht ook de knikkers van de ander. Of kuiltje knikkeren in een zandpad
waarbij je van grote afstand knikkers in dat kuiltje moest zien te krijgen. Of
looieren, een typisch jongensspelletje waarbij het erom ging dat je jouw looier,
een ronde kogel van ijzer die er in diverse maten waren, tegen die van een ander
gooide. Op zandpaadjes die veelal bestrooid waren met as uit de kolenkachels. En
dan waren er de schoendozen met gaten waardoorheen je van een zekere afstand een
knikker moest rollen. Boven elk gat stond een getal dat aangaf hoeveel knikkers
betaald moesten worden als hij er niet in kwam.
Touw springen deden we vaak met de hele buurt. Jojo-en, inspringen en showen. Dat
inspringen deden jongens en meiden samen. Dat vond ik heel bijzonder, omdat die
meestal niet samen speelden. Een lange sliert schuifelende kinderen om in te springen,
met een, twee of drie tegelijk. De grote meiden en jongens, samen met de kleine.
Soms met twee hele lange touwen die door de wat oudere kinderen zoals Veers en
Wil Hoppenbrouwers en door Leny Schouten onder het zingen van kinderliedjes tegen
elkaar in werden gedraaid. Ook hinkelen was favoriet. Met een rond ijzeren schoenpoetsdoosje
of poolstok. De straat volgelijnd met hinkelpotten. Bij oranje zonlicht was dat
ongestoord plezier, tot de schemering opkwam.
Eind jaren vijftig werd hoela hoep populair. Witte plastic elektriciteitsbuizen,
omgebogen tot een cirkel om je heup, je dijen of je knieën laten draaien. Wie dat
het langst volhield, daar ging het om. Ook ouders deden daar aan mee, wat heel
bijzonder was. Toen het hoela hoep zich in toenemende populariteit ging verheugen
verschenen de hoepels in diverse kleuren. Bij ons in de buurt bleven ze van witte
plastic buis. Dat was goedkoop en het ging prima.
De ouders zaten op de zomeravonden vaak op een stoeltje voor het huis. Het was
altijd een feest als de ijscoboer langs kwam. Een man zonder benen op een wagen
met paard er voor. Verrukkelijke ijsjes had hij met grenadine. Ook een Italiaanse
ijscowagentje kwam regelmatig langs, met een man in een kort wit jasje. Je hoorde
hem van ver aankomen door de bel die aan de stang van de kar hing. Een witte kar
met een groene en rode streep en twee grote zilverkleurige deksels er boven op.
Op nummer zeventien woonde een gezin met twee jongens. Ik had weinig contact met
ze. Op enig moment reden die jongens rond in een speelgoedauto van lichtbeige kleur
en donkerbruine houten panelen. Het was een open auto met een stuur en alles er
in. Het was eigenlijk gewoon een trapauto, maar vanwege de chique kleuren en uitvoering
trok hij erg de aandacht. Ze reden op Burgerhof zo maar wat rond. Iedereen wilde
er eigenlijk ook wel een keertje in. Maar dat mocht niet. Die jongens hoorden er
eigenlijk niet zo bij vonden wij.
Ik meen later in de jaren vijftig nog, maar misschien ook pas begin jaren zestig,
kwam in de Talmastraat een grote nieuwe speeltuin. Tegenover de meisjesschool. Het
leukste aan die speeltuin vond ik dat er een geasfalteerd stuk plein was waar je
kon rolschaatsen. Dat heb ik heel veel gedaan. Op dat plein kreeg je niet zo'n jeuk
in je voeten als wanneer je gewoon op straat rolschaatste. Ook leuk vond ik de
familieschommel, maar omdat daar zo hoog werd geschommeld durfde ik daar meestal
niet in.
Op Burgerhof en omliggende straten woonden meest katholieken. In de Talmastraat
woonde een protestants gezin. Dat was toch een beetje apart. Als we een uitje
hadden met de kindervereniging gingen zij niet mee, als ik het me goed herinner.
Dat je met ze speelde was ook niet helemaal gewoon, maar we deden het toch, al
was het dan minder dan met de katholieke kinderen.
School
Door mijn moeder werd ik naar school gebracht toen ik nog kleuter was. De bedoeling was dat ik naar de school in de Oranjeboomstraat ging. Maar ik moest verschrikkelijk huilen, vertelde mijn moeder toen ik haar eind jaren zeventig heb geïnterviewd. Op de andere school was nog geen plaats. Daarom moest ik naar de Oranjeboomstraat. Toen er plaats was kon ik er naar toe en kon mijn moeder weer gaan werken. Het was Maria's Kindertuin. Een laag wit gebouw aan de Talmastraat. Toen ik naar de lagere school ging was dat wegbrengen niet meer nodig. We liepen er altijd met een hele groep naar toe. Vanaf het Burgerhof door de Heinsiusstraat, rechtsaf een stukje door de Fagelstraat en dan door de Talmastraat naar school. De Talmastraat had van die grijze flats met portieken en van die dikke palen ervoor waar we al lopend over heen sprongen. Meisjes bleven er dan nog wel eens met hun jurk achter haken. Onze school was de Clemensschool, twee gebouwen met ieder een eigen speelplaats maar wel met elkaar verbonden. Ik begreep nooit of er een verschil was tussen de twee gebouwen, tussen de jongens die in het ene en de jongens die in het andere gebouw naar school gingen. De jongens in de ene school gingen door naar de hbs en hoger en die in mijn school, gingen naar de lts of de mulo, zoiets. Het speelplein was omgeven door bloemenperkjes en de poort had een ijzeren hek. Vanuit de speelplaats kon je de kerk op het Mgr. Nolensplein zien liggen. Er lag een groot grasveld tussen. In mijn beleving wel een paar voetbalvelden groot. In de eerste klas kregen we les van meneer Vergouwen, in de tweede van meneer Diesel, in de derde van meneer De Bont, in de vierde van meneer Diesel, in de vijfde van meneer Jongenelen en in de zesde van broeder Ewald. Als ik het allemaal goed heb onthouden. Meneer Vergouwen vond ik de alleraardigste en dan meneer Diesel. Meneer De Bont was streng. Als je niet oplette of iets deed wat hem niet zinde kreeg je een tik met het liniaaltje op je vingers. Of hij trok je aan je oren de gang in of hij zette je in de hoek voor in de klas. Een keer had hij zo hard getrokken dat het was gaan bloeden. Toen ik een keer flink hard op mijn vingers was geslagen ging mijn vader woedend naar school Ik was erbij. Hij zei tegen De Bont dat als hij dat nog een keer flikte hij met hem, met mijn vader, te maken kreeg. De man trok wit weg en heeft het liniaaltje nooit meer gebruikt. Een favoriete bezigheid tijdens de schoolpauzes was het poef springen waarbij jongens hun hoofd aan de achterkant tussen de benen staken van de jongen ervoor. Zo stonden er een stuk of tien achter elkaar. Anderen namen een aanloop en probeerde er zo ver mogelijk op te springen. De bedoeling was dat de poef het zo lang mogelijk hield. En als de bel van broeder Ewald ging stond iedereen snel per klas weer keurig in rijen van twee om daarna achter elkaar de school in te wandelen. Broeder Ewald vond ik aardig. Hij hielp ook de zesdeklassers in bijles na de school om zich voor te bereiden op het toelatingsexamen voor de hbs. Ik was daar altijd bij. Maar zakte uiteindelijk toch. Ik was op van de zenuwen. Voor de school was er een enorm grasveld dat zonder omheining overging in het trottoir. En plompverloren stond daar dan een poort die bestond uit twee gemetselde zuilen met een ijzeren hek er tussen in. Die poort werd nooit gebruikt, behalve als Sinterklaas aankwam. Dan liep hij door die poort en ging via de hoofdingang die anders ook nooit werd gebruikt naar binnen. Alle kinderen konden hem dan goed zien, omdat er geen gang tussen zat zoals aan de achterkant van het gebouw.
Op de lagere school leerde ik Frits kennen, Frits Spijkerman. Frits werd mijn vriendje.
Hij woonde vooraan in de Heinsiusstraat, dicht bij Burgerhof. We logeerden zelfs
soms bij elkaar. Ik vond dat heel spannend. Frits zijn vader was politieagent en
als ik er was mocht ik heel even zijn riem met pistool zien. Oef, dat was heel
bijzonder. Heel apart was dat ik met Frits en zijn gezin mee mocht naar Zeeland.
Ik zag voor het eerst de zee en het strand. Heel lux vond ik dat. Mijn vriendje
Frits raakte uit beeld toen hij verhuisde naar een andere straat in de buurt, ik
dacht de Van Schimmelpenninckstraat.
Melkfabriek
Een bijzonderheid in de buurt was de melkfabriek Sint Martinus. Elke ochtend kwamen
de boeren daar met hun tractors met aanhangwagen hun volle melkbussen op de lopende
band zetten en de wagens daarna meteen weer vullen met lege melkbussen. Dat was
een enorme herrie die nooit zo heel lang duurde en waar je snel aan gewend was.
Dat was ook zo met de sirene die een aantal keren per dag afging om de werk- en
rusttijden van de fabrieksarbeiders aan te kondigen. Het waren vaste geluiden op
de dag die je op den duur ook niet meer hoorden. Ik vond die fabriek wel een beetje
spannend omdat ik niet wist wat er binnenin allemaal gebeurde. Want aan de ene kant
werden de melkbussen er in gerold en aan de andere kant van de fabriek reden
vrachtwagens af en aan volgepakt met van alles en nog wat, wat ook wel iets met
die melk te maken moest hebben. Toen we nieuwe buren kregen en de buurman in die
melkfabriek bleek te werken dacht ik dat het mysterie wel snel opgelost zou worden,
maar dat is eigenlijk nooit het geval geweest. Behalve dan dat hij ooit vertelde
dat wat hij deed te maken had met vanillepudding.
Muziek
Ik werd lid van de katholieke drumband Heuvel. Vanaf de oprichting waren mijn
vriendjes Frits Spijkerman en Jan Schouten er bij. In de Oranjeboomstraat oefenden
we onder de strenge leiding van meneer Verstege. Hij was politieagent en wist de
discipline er wel in te houden. We sloegen met onze stokjes op plankjes die
vastgespijkerd zaten op tafels. Om de plankjes zat het rubber van de binnenband
van een auto gespannen. Later verkaste onze oefenruimte naar de Talmastraat.
Het leek alsof je op een echte trommel sloeg. Op enig moment kwamen die echte trommels
ook. Daar deden we het natuurlijk voor. En met de trommels kregen we ook allemaal
een uniform. Wat waren we trots. De drumband werd ingezegend in de kerk. We waren
de kerk in gemarcheerd door de enorme grote open metershoge voordeur. Kapelaan Huisman
zegende de band door met een natte kwast flink in het rond te zwaaien. Ik vond hem
de meest sympathieke kapelaan omdat hij zo goed preken kon. Bij hem deed ik ook
mijn biecht. Bij belangrijke gelegenheden traden we op. We verloren concoursen
maar ik was apetrots dat we op dat grote plein mochten meedoen. We brachten serenades
bij zilveren en gouden bruidsparen. We marcheerden er al drummend heen en als we
aankwamen stond het bruidspaar al in de voordeur. We stopten, draaiden een kwart
slag en gaven onze nummertjes ten beste. Al was het nog zo kou. En die voelde je
behoorlijk, met onze korte broekjes en overhemdjes met alleen maar een vestje zonder
mouwen er over. We hadden geen winteruniform.
Kerk
Behalve dat we naar de kerk gingen wist je ook dat je katholiek was omdat ik
mijn communie deed en het heilige vormsel ontving. En doordat pastoor Vos langskwam
toen mijn ouders twaalfeneenhalf jaar waren getrouwd. Het was tegen eind jaren
vijftig. De pastoor die wel een borreltje lustte en een dikke sigaar nam met zijn
omvangrijke lichaam zo'n beetje de helft van onze huiskamer in beslag. Daarom
herinner ik me hem nog zo goed.
Ik was lid van het kerkkoortje. Het bestond uit knaapjes die op de lagere school
zaten. Broeder Ewald dirigeerde, als ik het me goed herinner. De mooiste herinneringen
heb ik aan de nachtmissen met Kerstmis in de kerk van Maria van Altijd Durende Bijstand
op het mgr. Nolensplein. We zongen uit volle borst als de pastoor met de monstrans
in de hand van achter de kerk naar voren kwam lopen.
Als de hele kerk dan meezong,
daartoe aangespoord door kapelaan Huisman, dan gingen de rillingen over mijn rug.
Ik vond het heerlijk om te zingen. En dat je als klein jongetje zo lang mocht
opblijven was helemaal te gek. We wandelden na de mis naar huis, met het hele gezin
door het Monseigneur Nolensplein over te steken en dat over de Flierstraat naar
Burgerhof te lopen. En als er dan sneeuw lag die onder onze zolen kraakte en we
thuis een lekker warm worstebroodje kregen was het feest helemaal compleet.
Op de lagere school gingen we wekelijks naar de kerk om te biechten. Ik weet niet
meer of dat elk schooljaar zo was. Ik biechtte bij mijn favoriete kapelaan Huisman.
Tot mijn veertiende ben ik naar de kerk gegaan. De laatste paar jaar was ik heel
devoot. Ik had een bijbel aangeschaft en las daar elke zondag in de kerk hele
stukken in. Toen ik doorkreeg hoe autoritair de kerk was georganiseerd en er alleen
mannen het voor het zeggen hadden heb ik ermee gekapt omdat dat me allemaal heel
erg tegen mijn borst stuitte.
Film en tv
Bijzonder was het moment waarop ik voor het eerst tv keek. Dat was bij de buren
van Frits. Ik dacht eerst dat je poppetjes boven op een kastje te zien kreeg, maar
het was een plat scherm met zwart-wit beelden. Een beetje een tegenvaller, maar
toch heel bijzonder dat je van alles zag bewegen en je niet wist hoe dat nou toch
kon. Toch leek het ook een beetje op film. Daarmee raakte ik heel vertrouwd doordat
we elke zondagmiddag met een groepje kinderen naar Princenhage gingen, waar je in
een soort buurthuis op harde stoeltjes voor een dubbeltje of zo naar films van de
Dikke en de Dunne kon kijken en films met Tarzan en Charley Chaplin. Ik denk dat
daar mijn belangstelling voor film is ontstaan.
Kees Santbergen, Arnhem, november 2008.
|